HP 2Ondertussen is het al een aantal weken geleden dat ik mijn tweede opdracht voor de Harry Potter-readathon inleverde. We moesten een kort verhaal schrijven over onze eerste dag op Zweinstein. Aangezien ik het verhaal pas wilde plaatsen op het moment dat ik de punten binnen had duurde het even voordat deze blog er kwam. Maar vanmorgen was het zover! De punten werden eindelijk bekend gemaakt! Het had een tijd geduurd omdat zoveel verhalen lezen de jury best wat tijd had gekost. Hieronder kun je mijn verhaal lezen!

De Opdracht

Het is de bedoeling dat je jou ‘eerste’ dag op Zweinstein beschrijft in een verhaaltje. Je schrijft vanaf de sorteerceremonie tot aan de avond van je eerste lesdag. Dus je beschrijft hoe je gesorteerd word en hoe jou eerste dag op Zweinstein is en wat er dan allemaal gebeurt. Op een paar kleine regeltjes na ben je hier helemaal vrij in. Er mag van alles gebeuren wat jij maar wilt. Tip hou het wel geloofwaardig.

De regels:

  • De afdeling waarin je word ingedeeld is de afdeling waarin wij je hebben ingedeeld voor de readathon.
  • Minimaal 1000 woorden, maximaal hebben we niet maar maak het niet te gek het is maar andere halve dag natuurlijk wat je beschrijft. (Let op: tekens worden dus niet mee gerekend, echt woorden)
  • Schrijf het als een verhaaltje.
  • Hou het leesbaar.
  • Hou het geloofwaardig.

De Punten

JAAAAAAAAAA! Ik kreeg wederom 10 punten voor mijn verhaal! Dat betekent dat ik nu 21 punten heb gescoord voor Ravenklauw. Afdelingscup here we come!

Het verhaal

Aankomst op Zweinstein

Daar stond ik dan nog, in mijn eentje, in de als maar kleiner wordende rij tot de sorteerhoed. Mijn hart was vijf minuten geleden nog licht geweest van opluchting over het feit dat we in huizen gesorteerd zouden worden en ik dus niet helemaal alleen zou blijven hier op Zweinstein. Zo ver weg van mijn familie en vrienden in een nieuwe wereld. Ik was bang geweest om hier helemaal in mijn eentje te staan. Het was al spannend genoeg allemaal, maar toen professor Anderling had gezegd dat de huizen als families zouden zijn had dat mijn ergste spanning gebroken. Ik had al wel wat glimlachjes gewisseld met de andere nieuwe eerstejaars, maar de treinreis had ik zwijgend met een boek doorgebracht in een coupe die verder best lawaaierig was geweest met mensen die elkaar al kenden maar geen toenadering tot mij hadden gezocht.

Op dit moment stond ik echter weer zwetend in mijn te warme kleding te wachten totdat mijn naam werd genoemd.
Zwadderich, Griffoendor, Ravenklauw of Huffelpuf.
Zwadderich, Griffoendor, Ravenklauw of Huffelpuf.
Zwadderich, Griffoendor, Ravenklauw of Huffelpuf.
Wat zou mijn huis worden? Welke kleuren zou ik dragen? En wie van deze eerstejaars zouden mijn vrienden worden?

‘Sikosek, Carmen!’ klonk de stem van Anderling helder door de zaal. Mijn lijf begon te trillen.
‘GRIFFOENDOR!’ galmde de hoed een moment later. Het zweet brak me uit.

‘Sixma, Freya!’ ik begon te lopen. Daar was het dan. Het moment waarop ik had gewacht. Het zou gaan beginnen. Mijn leven, het avontuur, alles. Ik liep net iets te snel naar mijn idee om het een rustige ontspannen wandeling naar de kruk te noemen. En daar tilde ik de hoed op, die inderdaad wat oud en opgepoetst er uitzag van dichtbij. Net voordat de hoed over mijn ogen gleed zag ik nog even de grote zaal en was ik blij dat ik mezelf kon verstoppen voor al die starende mensen. Er waren zoveel heksen en tovenaars…

‘Freya… mooie naam. Trots erop ook merk ik wel. Ja, ja Germaans. Heel oud. Je familielijn ook. Verre heksen, sterke heksen ook. Ah ja, maar die ken je niet merk ik wel. Nee, nee je ontdekt ze nog wel. Nieuwsgierig dus.’
Een stilte viel en ik werd zenuwachtig.
‘Onzeker, stressgevoelig, plichtsgetrouw, een noodzaak om je eigen grenzen op te zoeken, om te presteren, op te vallen, bijzonder te zijn. Erg trouw aan je familie ook. Ja, er moet wel een goed plekje voor je hier zijn hoor jongedame. Maak je maar niet druk. Jij vind je weg wel met zo’n gedreven persoonlijkheid. Nu je nog ergens plaatsen zodat je je ook op je gemak gaat voelen. Je veilig bent, maar uitgedaagd wordt.’
‘Daar komt hij hoor.’ Klonk het nog als een lichte waarschuwing.
‘RAVENKLAUW!’ galmde het ver van me af nu maar duidelijk door de rest van de zaal. Ik duwde voorzichtig de hoed van me af. Wonderbaarlijk hoeveel inzicht eruit die hoed kwam. Het leek wel alsof hij leefde.. maar kon een voorwerp echt leven? Dit bedacht ik me terwijl ik naar de tafel met blauw en bronzen versieringen liep. Ik schoof aan op een nog wat legere plek op de volle bank en verloor mezelf in mijn mijmeringen over de hoed, terwijl die de laatste eerstejaars sorteerde.

Uiteindelijk werd ook de laatste leerling ingedeeld – ‘Zwerink, Sanne: HUFFELPUF’ – en stond het schoolhoofd op. Ze was een zwierige heks met veel uitstraling. ‘Welkom allemaal. Fijn dat jullie allemaal een plaatsje hier op Zweinstein hebben gevonden. Ik hoop dat iedereen zich na een fijne zomer snel weer thuis zal voelen hier op Zweinstein. Geniet van de maaltijd!’ Waarna met een zwaai van haar armen de tafels opeens volstonden met allemaal lekkers. Ik wist niet waar ik moest kijken!

Terwijl ik luisterde naar de gesprekken naast mij en probeerde uit te vinden hoe de mensen om me heen heetten en in welk jaar ze zaten, genoot ik van de kleine hapjes van de tientallen gerechten die om me heen stonden. Het eten was heerlijk warm maar niet te heet en had zoveel smaak! Ik kon niet kiezen en uiteindelijk at ik voornamelijk van de stukken warm brood en stoofvlees die voor mij stonden. Ondertussen liep een piepkleine tovenaar langs onze tafel met een stapel papieren. Lesroosters gokte ik als ik zijn gepiep goed hoorde. Op magische wijze – oké het was waarschijnlijk magie – wist hij de juiste lesroosters bij elke naam tevoorschijn te halen uit de grote stapel.

‘Freya – eerstejaars – ja, ja hier, alsjeblieft.’ Klonk het toen hij naast mij stond. Ik pakte het rooster gretig aan en verlustigde me aan alle vakken die er voor me in het verschiet lagen. Ik was zo ontzettend nieuwsgierig naar hoe alles zou zijn! Uiteindelijk verdwenen alle gerechten van tafel en hoorde ik in de verte ‘Eerstejaars Ravenklauw hierheen!’ en bewoog me dus maar naar die stem toe. Een jongen en meisje met een klassenoudste-badge verzamelden de eerstejaars rond zich.

‘Hoi allemaal! Wij zijn Linde en Troy en we zijn klassenoudsten.’ Glimlachte de hoogblonde Linde. ‘Mochten jullie vragen hebben schiet ons dan te allen tijde aan. Daarvoor zijn we er voor jullie. Waarschijnlijk zullen jullie de weg hier snel vinden, maar de eerste dagen zijn altijd wat vreemd. We gaan nu met zijn allen naar onze afdelingskamer toe en daar vertellen we jullie zo nog even hoe jullie bij de lessen morgen kunnen komen. Professor Banning komt zich daar zo ook nog even verder voorstellen.’
‘Hij is het afdelingshoofd van Ravenklauw.’ Vulde Troy aan met een betoverend klein lachje rond zijn mond. En daar gingen we. In een lange rij over de trappen van Zweinstein. Het was adembenemend en niet voor te stellen en ik liet het dan ook maar gewoon aan me voorbij gaan. Het was wonderlijk hoe ik na een paar dagen ook al gewend was aan deze situatie. Vreemde dingen wennen snel als je er elke dag mee omringd ben. Ik kwam naast een ander meisje te lopen.
‘Waar kom jij vandaan.’ Vroeg ze me.
‘Het noorden van Nederland. ‘ antwoordde ik.
‘Ah een Dutchie! Dat moet wel extra wennen zijn! Andere taal en zo ver weg zijn.’
‘Yes.’ Antwoordde ik.
‘Mijn Engels is niet zo goed.’ Ik had op de basisschool maar beperkt Engels gehad en had het meeste van tv opgestoken. Aangezien mijn ouders beide Dreuzels waren en de brief onverwacht was gekomen hadden ze me geen extra Engels onderwezen. We hadden echter besloten dat dit geen beperking moest zijn. Hoewel Zweinstein Engels was, was er in de gestuurde brief uitgelegd dat de andere keuzes voor toverscholen in het Frans of Russisch zouden zijn. Engels had dan zeker de voorkeur. Ik kon tenminste basis Engels en de rest zou snel vertrouwd aanvoelen.
‘Ik kom uit Yorkshire! Van het platteland. Heb je de lesboeken al doorgekeken?’
Ik knikte als antwoord.
‘Het lijkt nogal ingewikkeld nog. Maar ik heb er zin in!’
‘Ik ook.’ Zei het meisje gretig. ‘Je Engels is niet zo slecht. Het is niet moeilijk, je leert het snel!’

We waren ondertussen aangekomen bij wat de toegang tot de afdelingskamer van Ravenklauw moest zijn. Een vogeltje piepte: ‘Welke kleur is de zon ’s morgens vroeg wanneer hij opkomt.’
‘De afdelingskamer is beveiligd met een wachtwoord.’ Zei Troy die daarmee de aandacht vroeg en zijn zwarte haar uit zijn heldere ogen streek. ‘He is adorable.’ Hoorde ik een meisje achter me verzuchten terwijl ik niet anders kon dan daarop ja knikken.
‘Zo kan er niemand van een andere afdeling naar binnen. Dit is ons plekje bescherm het ook als zodanig. Je komt binnen door antwoord te geven op de vraag van de gouden gaai. De vraag verandert steeds en er is geen eenduidig goed of fout antwoord. Wel moet je inzicht tonen in het antwoord op de vraag. Kijk.’
Hij wende zich tot de deur. ‘De kleur van de zon bij zonopgang verschilt. Soms is hij goud, soms is hij rood. Sommigen zeggen dat dit iets zegt over dat wat komen gaat, maar zeker weten doe je dat niet.’
De deur zwaaide vervolgens open. ‘Zie!’ Ik verwonderde me over de vernuftigheid van de gouden gaai. Blijkbaar hadden meer voorwerpen in de tovenaarswereld een zekere intelligentie.

We verplaatsen ons met zijn allen naar binnen en ondertussen glippen meerderejaars tussen ons door naar de sierlijke Victoriaanse stoelen en banken die in alle hoeken van de lichte ruimte waar we in stappen staan. Licht komt door de hoge ramen van de sterren en van de kandelaars aan de wanden die magisch versterkt leken te zijn. Het leek er gezellig maar ook schoon en statig.
‘Er zijn gescheiden slaapkamers voor jongens en meisjes per jaar.’ Linde wees naar een gang links en rechts. ‘Er staan nummers op de deuren voor elk jaar. Jullie hutkoffers staan al in jullie kamers. Als jullie nu een plekje willen zoeken op de stoelen links van Rowena…’ ze wees naar de linker alkoof naast het standbeeld dat centraal stond in de ruimte ‘…dan kan professor Banning jullie nog wat dingen uitleggen.’

Professor Banning, de kleine tovenaar die eerder de lesroosters had uitgedeeld, kwam ondertussen door de deur geschuifeld. ‘Ah eerstejaars. Ja!’ zei hij met een piep. ‘Dus zoals Linde en Troy al hebben verteld is dit de afdelingskamer. Het heeft een lange, lange geschiedenis. Ja zeker interessant om eens in te duiken. Dus, ja. Per afdeling kun je punten verdienen. Goed gedrag wordt beloond, slecht gedrag bestraft door punten af te trekken.’ Het staat jullie vrij om jullie door het hele kasteel te bewegen. Ik zal met jullie de lokalen van jullie eerste lessen doorgaan. Morgen zal de afdelingsgeest jullie helpen die te vinden. De Grijze Dame is altijd zeer behulpzaam naar de eerstejaars toe. Uhum. Mochten er vragen zijn naar aanleiding van de eerste dagen zoek me dan zeker op in mijn kamer.’

Vervolgens liep Banning met ons door waar de lessen van de volgende dag zouden plaatsvinden en liep ik uiteindelijk met de andere meiden naar onze kamer. Zonder dat ik het doorhad was ik wat aan de babbel geraakt met de andere meisjes over ditjes en datjes. In de ruime en lichte slaapkamer zochten we elk onze hutkoffer op die we vervolgens begonnen uit te pakken in de kasten aan de wand. Er stond ook een grote hoge boekenkast die nu nagenoeg leeg was, maar waar we al snel voor afspraken dat we elk een plank zouden nemen om te vullen met onze lesboeken. Dus ook die kregen een plekje in de kamer. Met onze eigen spulletjes en mijn nachtkastje gevuld met wat kleine dingetjes van thuis – een haarspeld, een fotootje en een beeldje van een katje – voelde het alsof de kamer al van mij was. Of van ons, want elk van ons had er een stempel op weten te drukken. Ik had me omgekleed in mijn zachtste pyjama en samen met de anderen kroop ik in bed. Vermoeid door alle indrukken viel ik in een hele diepe slaap.

Ravenclaw

De eerste dag

Ik wou dat de wekker de volgende dag vroeg ging, maar ik geloof niet dat tovenaars ooit van wekkers hebben gehoord dus we werden wakker van het kloppen van de klassenoudste Linde op de deur. ‘Opstaan! Ontbijt in de grote zaal, dan kruidenkunde, verweer tegen de zwarte kunsten en bezweringen.’ We gaapten alle zes in de kamer, maar stapten opgetogen uit bed. Ik haalde snel een borstel door mijn haar en trok een simpel blauw shirt – Ravenklauw dacht ik bij mezelf – aan onder mijn zwarte Zweinstein mantel.
Het ontbijt aten we in haast. Gelukkig was er genoeg keuze en had ik een lekker mok met muesli en yoghurt. Daarna haasten we ons naar buiten naar het kruidenkunde lokaal waar we werden verwelkomd door de frisse ochtendlucht en de ietwat muffe geur van aarde. Professor Lubbermans was een ietwat verlegen maar kundig man met een grote liefde voor de planten. Het leek alsof de potjes met van alles en nog wat zo’n beetje vertroeteld werden. En blijkbaar moesten wij de professor helpen met dit vertroetelen in de eerste les.

‘We gaan mestkussentjes maken!’ zei hij. ‘De eerste stap om een plant te kunnen gebruiken voor magische doeleinden is het verzorgen van een plant. Dat vergt liefde en heel veel tijd en aandacht. Liefde dus!’ klonk het ietwat zenuwachtig. ‘Dus mestkussentjes.’ Hij wees ons vervolgens een rij met planten aan waar we er elk een van moesten pakken en liet ons zien hoe we mestkussentjes moesten maken. Met onze handen. Zonder magie. Opeens vroeg ik me ernstig af wat ik hier deed aangezien er niks magisch aan dit taakje te zien was. Alleen de plant was me ietwat levendiger dan de normale planten die ik bij mijn ouders in huis had staan. Ik stak daarom maar ietwat vertwijfeld mijn vinger omhoog aangezien ik er halverwege de les van overtuigd was dat er iets mis met deze opdracht of tenminste met mijn uitvoering van de opdracht moest zijn.
‘Professor Lubbermans? Wat is er magisch aan het maken van mestkussentjes?’ zei ik in mijn meest overtuigende Engels. ‘Oh niks, mejuffrouw Sixma. Voor elke tovenaar is het belangrijk om te ondervinden dat de basis van toverkunst niet in het magische hoeft te liggen. Planten zijn planten en hebben verzorging nodig. Maar wees niet bang, u zult snel genoeg de magie van het verzorgen van planten ondervinden!’
Ik was nog steeds wat vertwijfeld, maar zag wel wat inzicht in deze uitleg. Na dik twee uur mest met aarde te hebben samengedrukt en in nette bolletjes tussen de plant te hebben gestoken liep ik met de rest van mijn afdeling weer naar het kasteel toe, toen we overvallen werden door Foppe. Met luchtballonnen vol water. ‘Werkelijk’ zei ik in het Nederlands – wat me een gekke blik van mijn jaargenoot opleverde. ‘Tsja aangevallen worden met waterballonnen was nou net niet wat ik verwacht had op een magische school.’ Zei ik in mijn gebrekkig Engels en leverde me een aantal lachende medeleerlingen op voordat we met zijn allen met onze handen boven ons hoofd naar het kasteel begonnen te rennen. De waterballonnen oorlog was uitgebroken en wij waren de nietige slachtoffers.

Half lachend uit wanhoop denderden we het kasteel binnen. ‘Douchen.’ Hoorde ik een roodharig meisje met de mooiste krullen naast me zeggen. ‘Douchen.’ Antwoordde ik en de andere meiden en ik liepen naar onze afdelingstoren al lachend over ons ongeluk. Al snel kwamen de genante verhalen van elk van ons naar boven en ook ik durfde al gauw te vertellen over de keer dat ik struikelde over het tapijt en met mijn neus in mijn eigen verjaardagstaart was beland.
Na een snelle douche en een nog snellere lunch haastten we ons naar verweer tegen de zwarte kunsten, waar we een introductie in magische wezens kregen. Ik was werkelijk versmolten met de informatie die uit de mond van de docent kwam rollen en pende zoveel mogelijk met onwennige bewegingen notities neer met ganzenveer en inkt – ja een beetje primitief voor tovenaars maar goed. Zonder al te veel te knoeien had ik toch een tweetal pagina’s aan notities kunnen maken en vol trots besloot ik die ’s avonds nog eens over te schrijven.
Terwijl we naar het bezweringen lokaal van professor Banning liepen bediscussieerde ik met het roodharige meisje dat Amelia bleek te heten de aantekeningen die ik had gemaakt. Ze wees me ook op een inktvlek naast mijn mond die ik blijkbaar met de ganzenveer had gemaakt, waar we vervolgens een lachbui over kregen. Op dat moment wist ik dat het hier wel goed zou moeten komen.

De les van Banning was meer een mentorles waar we de gebruiken van de school verder uitgelegd kregen. Het schoollied aangeleerd kregen – professor Banning begeleidde als naschoolse activiteit het schoolkoor en moedigde ons aan om ook lid te worden – en alle vragen die we hadden konden stellen. Uiteindelijk verlieten we een uur vroeger dan gepland stond de les met de verzekering dat vanaf morgen de lessen wel als gebruikelijk gevolgd zouden worden. Na een ongelofelijk goede avondmaaltijd – wederom – trok ik me met Amelia terug in de leerlingenkamer. Daar kletsten we een beetje over onze herkomst en over onze gemeenschappelijke liefde voor boeken en deden we uiteindelijk nog een spelletje mee met de klassenoudsten dat speciaal bedoeld was om elkaar beter te leren kennen. Blijkbaar organiseerden zij de hele week dit soort gemeenschappelijke activiteiten om ons op ons gemak te laten voelen. Ik was daar heel dankbaar voor, maar toen ik uiteindelijk in bed kroop met mijn boek, bedacht ik me ook dat ik me al heel goed redde zo.

‘Ik ga me al werkelijk thuis voelen hier.’ Zei ik halfzacht terwijl ik de eerste pagina van mijn boek opende. Ik had een paar Engelse boeken van thuis meegenomen om zo de taal verder te oefenen. In de trein had ik er al een uitgelezen dus het werd tijd om in het tweede boek te beginnen.

 Not for the first time, an argument had broken out over breakfast at number four, Privet Drive. Mr. Vernon Dursley hadbeen woken in the early hours of the morning by a loud, hootin noise from his nephew Harry’s room.

En ik verdiepte me in de verhalen over de mensen die ik nu in het echt ontmoette uit een magische wereld die eens alleen maar een verhaal uit een boek leken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *